Dat de namen van de dorpen Oostkapelle en Westkapelle in het Zeeuws worden uitgesproken als Oôskappel en Weskappel, is bekend. In het taalkundig nogal aan Zeeland verwante Frans-Vlaanderen zien we exact hetzelfde. Daar liggen ook twee dorpen met de namen Oostkappel en Westkappel.
Veel minder bekend is dat inwoners van Westkapelle hun dorp zelf Wesschappel of Wasschappel noemen. Wa’s da vo raore naeme? Een kleine zoektocht naar de sch in Wesschappel met helemaal onderaan een leuk cadeautje in ruil voor het lezen.
door Marco Evenhuis
Er zijn behalve het wegvallen van de slot -e nog een paar kleine verschillen tussen de uitspraak van Oost- en Westkapelle in het standaardnederlands en in het Walchers. De t valt in het dialect weg en de eerste e van Westkapelle heeft een iets opener klank dan in het Nederlands. Dat wil zeggen dat die een beetje richting een korte a gaat.
Ook wordt de w in het Zeeuws iets anders geproduceerd dan in het Nederlands. In het Zeeuws gebruiken we daar onze boven- en onderlip voor, in het Nederlands maak je de w met je boventanden en je onderlip.
Het Zeeuws van Westkapelle
Westkapelle staat bekend om zijn bijzondere dialect. Het dijkwerkersdorp heeft veel woorden en klanken die net even anders en vaak net even iets conservatiever zijn dan verderop op het eiland. Zo is de w er nog een stuk ‘vetter’ en gaat die, zeker bij de oudere generatie, richting een ‘Surinaamse’ w. Met de l gebeurt iets vergelijkbaars: die wordt extra lang aangehouden. Men noemt dat ook wel een dikke l, bekend van spotzinnetjes als ‘oll en boll en nog nie voll. Verder is de eerste e van Westkapelle er nóg opener dan verderop, zodat Westkappelaars de naam van hun dorp zelf vaak schrijven als Wasschappel.
Daar zie je gelijk het meest opvallende aan de Westkapelse uitspraak van Westkapelle: die rare sch in het midden. Ik heb me lang afgevraagd waar die vandaan komt. Zou er bijvoorbeeld een link zijn met het Engelse chapel en het Friese tsjerk (kerk)? Een soort anglo-fries West-Tsjappel zeg maar? Lastig. Maar toen ik onlangs in een bekende negentiende-eeuwse bundel dialectteksten het onderstaande fragment tegenkwam over de lokale uitspraak van de naam Heemskerk, dacht ik gelijk, om het maar even Wesschappels te houden, bè!
“Men dient (…) op te merken dat de bewoners van het dorp Heemskerk den naam hebben van zuiver hollandsch te spreken; dat wil zeggen dat zij meer dan de bewoners van andere kennemerlandsche dorpen er zich op toe leggen om hun natuurlijken tongval naar het moderne hollandsch te verwringen. Dit gaat zoo ver dat sommigen aldaar zoo dwaas zijn om den naam van hun dorp Heemskerk als Heemscherk uit te spreken, om toch maar duidelijk te laten hooren dat ze wel weten, dat de in hun tongval natuurlijk voorkomende sk (skaap, skoen), in modern hollandsch als een rochelende sch wordt uitgesproken.”
Johan Winkler (1874). Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon, dl 2. Den Haag: Martinus Nijhoff.
Die sk- waar in het standaard Nederlands sch- wordt gebruikt, is in zo ongeveer heel het Nederlandse taalgebied de oorspronkelijke uitspraak. Op een gegeven moment, zeker vanaf de 15e eeuw maar waarschijnlijk al eerder, is de sk- beginnen plaatsmaken voor de sch-. Tegenwoordig zijn er nog maar een paar gebieden waar de sk- overleeft.

In Zeeland heeft die verandering waarschijnlijk pas eind 16e eeuw echt doorgezet met de intocht van grote aantallen vluchtelingen uit de zuidelijke Nederlanden. Vooral Antwerpenaren, die allang waren overgestapt op de sch-, hadden nogal wat geld en dus invloed.
Uit documenten zoals brieven van en aan opvarenden van Zeeuwse schepen valt op te maken dat in elk geval in de lagere sociale klassen de sk- eind 17e eeuw naast de sch- nog volop voorkwam. Een eeuw later is de sk- in dergelijke brieven zeldzaam geworden, maar nog niet helemaal verdwenen.

Een voorbeeld vinden we in een brief uit maart 1780. Dan schrijft de negentienjarige geboren en getogen Vlissingse Helena Adriaanse – Sap een aandoenlijk bericht aan haar man Jan Adriaanse, die op dat moment onderweg is naar Suriname. Het is een brief vol Zeeuwse dialectverschijnselen en tot drie keer toe schrijft Helena sc- aan het begin van een woord in plaats van sch-. Hier schrijft ze bijvoorbeeld gescop in plaats van geschopt:
“…de doktor heft him wel twemal gescop dat ey in de steuijpen gelegen heft, wan dokter eft syn kossen met kina opgestop en no is ey voor twe manden by vader om te sien of ey syn dikke buyk weg te helpen…”
bron: Zeeuwpost.nl, TNA HCA 30, inv.nr. 331
Verder is trouwens duidelijk te zien dat ze moeite heeft met de letter h, gebruikt ze het Walcherse him voor hem, schrijft ze nu als no (hedendaags Zeeuws: noe) en kussen als kossen.
Pas ongeveer zestig jaar na deze brief worden er voor het eerst artikelen geschreven over de Zeeuwse dialecten. Daarin wordt met geen woord gerept over het voorkomen van de sk-. Ook in de allereerste teksten in het Zeeuws uit die tijd komt de sk- bij mijn weten niet voor.
Toch is het bijna ondenkbaar dat er in Zeeland dan geen restanten van of herinneringen aan die klank hebben bestaan. Dankzij Helena Sap weten we tenslotte dat de sk- in elk geval in de laagste sociale klassen van Vlissingen in elk geval passief het jaar 1826 heeft gehaald. In dat jaar overleed ze namelijk. Helena woonde toen in het hofje De Zeemanserve, tussen de andere straatarme weduwen van zeevarenden. Haar man Jan was dan al twintig jaar dood.
Al bij al is naar mijn idee de meest plausibele verklaring voor de sch-klank in Wesschappel dat het een herinnering is aan het bestaan van de sk- in de Zeeuwse dialecten (in elk geval tot omstreeks 1800) en dat die sch daar een hypercorrectie van is. Precies zoals bij Heemskerk/Heemscherk.
Om dit te vieren, sluiten we af met een leuk lied, gezongen door een groepje Wesschappelaers ergens in de jaren 1960. Het stamt oorspronkelijk uit de vroege 16e eeuw en wordt sindsdien, zoals zoveel Westkapelse/Walcherse liederen, mondeling overgeleverd en bij gelegenheden als bruiloften, kermis en andere feestelijke samenkomsten tot op de dag van vandaag gezongen.



