Geschiedenis van het Zeeuws

Een slordige vijftien eeuwen Zeeuws samengevat in vier hapklare brokken. Een literatuurlijst en suggesties om verder te lezen hou je tegoed. Reacties altijd welkom per e-mail.

Over de vroegste geschiedenis van de Zeeuwse dialecten is zo goed als niets bekend. In de Romeinse tijd woonden hier Kelten, mogelijk vermengd met Germanen of in elk geval door hen beïnvloed. Tussen ongeveer 250 en 500 n. Chr. was er in Zeeland amper permanente bewoning mogelijk, omdat de zee veel te hoog stond. 

Het Noordzeegebied in de vroege middeleeuwen. In donkerrood het kerngebied van de Friezen, in donkerblauw dat van de Saksen en in lichtblauw dat van de Angelsaksen, de latere Engelsen. Zalmroze geeft de invloedssfeer van de Friezen aan en het lichtste blauw dat van de Angelsaksen. In het zuiden de oprukkende Franken, weergegeven in lichtgrijs.
Let wel: die verschillende groepen langs de kust spraken halverwege het eerste millennium (zo goed als) dezelfde taal; het kaartje laat vooral iets zien over migratiebewegingen en invloedsferen.

Toen het land vanaf ongeveer 500 n.Chr. droger kwam te liggen, vestigden zich hier mondjesmaat dezelfde mensen als die vanuit Friesland en Noord-Duitsland naar Engeland migreerden. Deze heidense Friezen en Saksen kwamen over zee en verspreidden zich vanuit de duinstrook langzaam over de eerste stukjes hoger gelegen, droogvallend achterland.

In Nederland noemen we hun taal meestal Oudfries, in Vlaanderen heeft men het meestal over Oudsaksisch. Toch gaat het dan in de hele zompige kuststrook van de monding van de Maas tot in de buurt van Boulogne zo goed als zeker nog om één en dezelfde ‘Noordzeegermaanse’ taal.

Een paar eeuwen later, vanaf ongeveer 700 à 800 n.Chr., werden de kustvlakten ook aantrekkelijk voor de christelijke Franken, die tot dan toe vooral in het hoge droge achterland hadden gewoond (denk aan Brabant, Henegouwen, oostelijk Vlaanderen…). Vergeleken met de ongeregelde kleine plukjes Friezen/Saksen (waar de Friese ‘koning’ amper gezag over had) waren die Franken talrijker en goed georganiseerd. Ze kregen dan ook al snel de overhand, ook op het gebied van taal.

Archeologische vondsten lijken er op te wijzen dat de twee groepen mensen (het vrije Friese zeevolk en het feodale Frankische landvolk) eerst nog een tijdje wat langs elkaar heen hebben geleefd. Uiteindelijk versmolten ze tot één samenleving met één cultuur en één taal: de mix van veel Frankisch en wat Fries die men later Zeeuws is gaan noemen, letterlijk ‘zees’ – de taal van de zee.

In de eerste 500 jaar van het Zeeuws zagen we kleine plukjes ongeregelde kustbewoners gezelschap krijgen van keurig gestructureerde Franken. Zo rond het jaar 1000 is er van de taal van die eerste kustbewoners alleen nog een substraat overgebleven, een Friese/Saksische onderlaag waarvan we vandaag de dag veel kenmerken nog steeds terugzien in de Zeeuwse dialecten.

Ook de volgende 500 jaar wordt de taal niet of nauwelijks opgeschreven. Er bestond nog geen Standaardnederlands, maar toen kerk en bestuur overstapten van Latijn op de volkstaal, deden schrijvers wel degelijk een poging om een bovengewestelijke variant te hanteren. Dat was er eentje met lokale geuren en kleuren. In Zeeland sloot de schrijftaal nog het meest aan bij die van het noordwesten van Vlaanderen.

Dat lag ook wel voor de hand. Zeeland had zelf weinig inwoners en leunde sterk op het graafschap Vlaanderen. Daar kwamen ook veel van de scribenten en kroniekschrijvers vandaan, die in Zeeland werkzaam waren. Andersom zijn er waarschijnlijk ook de nodige Zeeuwse schrijvers ingehuurd door Vlaamse werkgevers.

De belangrijkste bedijkingen en inpolderingen tussen ongeveer 1000 en 1350 werden georganiseerd vanuit invloedrijke Vlaamse abdijen. Vooral de Sint Pieter- en de Sint Baafsabdij in Gent en die van Ter Duinen in Koksijde hebben op die manier een grote invloed gehad op het Zeeuwse cultuurlandschap en de taal. Vooral op Zuid-Beveland is dat vandaag de dag nog steeds goed merkbaar.

In 1323 werd de vrede van Parijs getekend. Die overeenkomst betekende onder meer dat Zeeland definitief onder Holland zou vallen. Dat gewest kreeg toen al een paar eeuwen meer en meer invloed op Zeeland, maar na 1323 verschoof de macht volledig naar het noorden. Het Hollands kreeg flink wat invloed op de ontwikkeling van het Zeeuws en dat zou nog lang zo blijven. Toch bleven ook de banden met (West-)Vlaanderen tot de reformatie innig. Het Zeeuws en het West-Vlaams waren tegen die tijd geen eeneiige tweeling meer, maar zijn tot op de dag van vandaag wel broer en zus.

Na 1500 verschijnen er sporadisch teksten die bewust in het Zeeuws zijn geschreven. Dat is dus voor het eerst in de geschiedenis van de taal. Een belangrijk voorbeeld is het toneelstuk ‘Ghewillich Labuer ende Volc van Neeringhe’ uit 1526 van Cornelis Everaert. Hij voert daarin een zeeman op die een Zeeuws spreekt dat kenmerken heeft die we nu nog steeds als Zeeuws herkennen. Sommige van die taalverschijnselen zijn tegenwoordig typisch Zuid-Bevelands maar waren toen waarschijnlijk veel algemener verspreid:


“Myn deeghen en wassic naynt zae verblyt.
Jc dancke Hesus ghebenendyt
Dat hy my heift willen te mynen beheeghen speerren.
Jc comme jn neghen deeghe heveerren
Van vut den edelen Spaenschen lande
Sonder stoet te lydene van Calaenschen zande
Tot hier anden Vleemschen candt.
Nu willic my steken ouer tlandt
Ende segghen allomme jnt openbeerre
Tydynghe van graeter blyder meerre
Volc van Neerrynghe met Ghewilleghen Labuere.
Sy en hebben ghelueuic jn menegher huere
Blyder meerre jn langhe ghehoort.
Waer bestge Volc van Neerrynghe? Comt voort
Met Ghewillich Labuer. Jc saldy verblyden.”

De ee in woorden als deeghen en Vleemsch wijst op een lange a, net als op Zuid-Beveland uitgesproken als een lange ì zoals in ‘eer’. Everaert schrijft ook heift en geen heeft; dat gaat heel erg richting het moderne Zeeuwse ‘eit’. De h wordt in Vlaamse teksten uit deze periode eigenlijk nooit uitgesproken, dus het voltooid deelwoord heveerren begint niet met ge- maar met e-: ‘eveeren‘, oftewel gevaren. Verder zien we bijvoorbeeld ae om een als een open a uitgesproken o aan te geven: zae en graeter zijn zoa en groater.
Cornelis Everaert laat ook mooi zien dat Zeeland een beetje ouderwets was. De Zeeuwse zeeman in zijn tekst gebruikt nog de persoonlijke voornaamwoorden du en dy terwijl alle andere personages consequent ghy en u gebruiken.

Nadat Zeeland zich van de Spanjaarden had ontdaan, ontpopte de provincie zich steeds meer als een economische mini-wereldmacht. Dat had Zeeland vooral te danken aan de grote instroom van vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden. Zij namen kapitaal, kennis en grote handelsnetwerken met zich mee. In deze periode, toen bijvoorbeeld de bevolking van Middelburg voor meer dan een derde uit het Zuiden afkomstig was, veranderde het Zeeuws snel en ingrijpend. Vooral in de steden Middelburg, Vlissingen en in veel mindere mate ook in Veere, Goes en Zierikzee ontstond een afgesleten, bijna gecreoliseerde versie van het Zeeuws met veel Brabants/Hollandse en Franse invloeden. Die taal werd later Burgerzeeuws genoemd en is min of meer vergelijkbaar met de positie van het Stadsfries in Fryslân.

Een groot verschil met dat Stadsfries is dat het Burgerzeeuws totaal niet is onderzocht. Er is ook heel weinig van vastgelegd; er bestaat bijvoorbeeld niet één fatsoenlijke geluidsopname van. En dat is doodzonde, want het is nu net deze vorm van het Zeeuws die een grote invloed heeft gehad in het Caribisch gebied. Het was er een van de omgangstalen, ook buiten de Zeeuwse koloniale bezittingen. En er ontstonden zowaar drie creooltalen die op dit Zeeuws waren gebaseerd. Pas na 1800 was het gedaan met het Zeeuws als mini-wereldtaaltje. Toen lag ook de economie van de Zeeuwse steden op zijn gat. Het was de beurt aan het platteland.

In de 19e eeuw kwam de focus van de Zeeuwse economie op de landbouw te liggen. Die sector had in de vruchtbare delta altijd al een grote rol gespeeld, maar was in de periode van internationale handel en koloniale roofbouw wat op de achtergrond geraakt. Maar het platteland hervond zijn trots en zijn bravoure. Klederdrachten, volkskunst, volksgeloof, volksverhalen en volksmuziek golden niet langer als boers en conservatief gezien, maar als mainstream of zelfs trendsettend. Er was ook voor het eerst aandacht voor de Zeeuwse dialecten, zowel als studiemateriaal als als schrijftaal.

De eerste uitvoerige taalkundige beschrijvingen van Zeeuwse dialecten stammen uit het midden van de 19e eeuw, net als de eerste langere teksten in de streektaal. De productie aan streektaalliteratuur en publicaties over taalonderzoek bereikte omstreeks de jaren 1880 een eerste grote piek. Een bijzondere trend was het beoefenen van streektaalliteratuur door niet-Zeeuwstaligen of ‘burgers’ die op hun boers schreven, zoals de Middelburger Henri Beunke.

Henri Eduard Beunke (1851-1925) in 1911.

De eerste helft van de 20e eeuw hield de belangstelling aan, zij het op een iets lager pitje. Opvallend genoeg waren het vaak Zeeuwen buiten Zeeland die de pen opnamen of theater maakten. Ook onder deze mensen veel ‘burgers’ die geen plattelandsdialect spraken of hoger opgeleiden die op bezoek in Zeeland vaak voor Algemeen Nederlands kozen.
Een mooi voorbeeld is messenheftsnijder en beeldhouwer Piet Puype jr. Hij had de kunstacademie gedaan en woonde en werkte in Apeldoorn. Hij ging daar prat op zijn Zeeuwse roots. Zijn woning, nu een Rijksmonument, zit vol verwijzingen naar Zeeuwse volkskunst en zijn vrouw bleef heel haar leven de Walcherse dracht trouw, ook in den vreemde. Maar als Piet eens terug op zijn geboortedorp Souburg was, vond hij zich te goed om de dorpelingen überhaupt te groeten en sprak hij Hollands.

De tweede helft van de 20e eeuw bracht het grote Woordenboek der Zeeuwse Dialecten, veel serieuze streektaalmuziek en een hoop streektaalliteratuur van hoog niveau. Er waren ook felle discussies over het standaardiseren van de spelling en over het ontwikkelen van een Zeeuwse standaardtaal. En dat terwijl het percentage sprekers voor het eerst in de geschiedenis van de taal begon af te nemen. Eerst langzaam en toen steeds sneller.

Omstreeks het jaar 2000 kwam de Zeeuwse taalhausse tot een hoogtepunt, toen commissaris van de koningin Wim van Gelder pleitte voor gebruik van het Zeeuws bij officiële gelegenheden, het volledig Zeeuwstalige tijdschrift Noe werd opgericht, Zeeland een streektaalconsulent kreeg en er officiële erkenning van het Zeeuws als streektaal werd aangevraagd. Toen die erkenning er niet kwam, was het gedaan met de piek. Na tien jaar stopte het tijdschrift Noe ermee en nog eens tien jaar later stopte de streektaalconsulent, waarmee die functie kwam te vervallen. Het jaarlijkse provinciale budget voor de streektaal van ongeveer € 150.000 kwam op de grote hoop van het immateriële cultureel erfgoed terecht. Beleid is er niet meer. Op het gebied van cultuur gebeurt er van alles, maar Zeeland en het Zeeuws zijn anno 2026 beleidsmatig terug bij af.

DELEN? DELEN!